Hij komt met de wolken

en alle ogen zullen Hem zien

rode zee

Het paard en zijn ruiter heeft Hij in de zee geworpen.

De geschiedenis van de doortocht van het volk Israël door de Rode Zee en van hun rondzwervingen in de woestijn, rond het jaar 1.400 voor Christus, is overbekend. Maar de traditionele locaties hebben dermate weinig bewijsmateriaal opgeleverd, dat de meeste mensen de verhalen afdoen als sagen of mythen. Maar is dat terecht?


Na een 40-jarige carrière aan het Egyptische hof moest de Israëliet Mozes vluchten toen hij openlijk was opgekomen voor de belangen van het slavenvolk waar hij toe behoorde. Na de schapen van zijn schoonvader Jethro 40 jaar lang gehoed te hebben, riep God Hem bij een BRANDENDE DOORNSTRUIK. Hij kreeg van God de taak om het volk Israël uit hun Egyptische slavenbestaan te verlossen en door de woestijn te leiden naar het beloofde land. Na de verlossing uit Egypte zou Mozes met zijn volk de HERE dienen op de plaats van de brandende doornstruik. Na tien plagen liet Farao het volk EINDELIJK GAAN. Enkele dagen later kreeg hij spijt en hij achtervolgde het volk met zijn VOLLEDIGE LEGERMACHT. Het volk had inmiddels de Rode Zee bereikt en raakte ingeklemd tussen de zee en het leger van Farao. Op bevel van God spleet de Rode Zee en kon het volk Israël tussen muren van water doortrekken naar de overkant. Toen Farao en zijn leger de achtervolging door de Rode Zee inzetten, sloot deze zich weer, zodat Farao en zijn leger door het water werden verzwolgen.

Eeuwenlang werd verondersteld dat de doortocht door de Rode Zee plaatsvond in de linkerarm van de Rode Zee, ten Westen van het Sinaïtisch Schiereiland. De oorsprong van deze veronderstelling is een DERDE-EEUWSE TRADITIE van een berg op het Sinaïtisch Schiereiland als plek van de brandende doornstruik van Mozes en dus ook als plek van de berg waar Mozes de tien geboden uit Gods hand ontving. Deze traditie werd nog versterkt door de opluistering van de plek van de brandende doornstruik met een kapel in 337 door Helena, de moeder van keizer Constantijn en later met een klooster door de Byzantijnse keizer Justinianus I. De zee van Israëls doortocht moet uiteraard tussen Egypte en deze berg liggen. De stellige aanwijzing van de huidige Sinaï als gebergte van Mozes pinde de plaats van de doortocht vast in het Westen van het Sinaïtisch Schiereiland. Echter NOG NOOIT is rond deze zee enig bewijs gevonden van een doortocht. En opgravingen in de Sinaïwoestijn hebben ook BAR WEINIG opgeleverd om te geloven in een rondtrekkend Israëlisch volk. Wetenschappers gingen er steeds meer vanuit dat de gebeurtenis, zoals die in de bijbel staat, nooit werkelijk heeft plaatsgevonden en dat sprake is van een mythe. Kennelijk heeft het gebrek aan bewijs al die eeuwen bij niemand van de gevestigde wetenschap ooit het idee gewekt dat de doortocht mogelijk ergens anders heeft plaatsgevonden.

Dat er in de wereld van de wetenschap eeuwenlang geen enkele belangstelling bestond voor de historische plek van Israëls doortocht door de Rode Zee, tekent de grondhouding van de wetenschap tegenover de bijbel. De wetenschap gaat er vanuit dat de bijbel slechts een verzameling is van sagen en mythen die NIET OP WAARHEID ZIJN GEBASEERD. En mocht er toch een kern van waarheid in zitten, dan moet die kern door de wetenschap BEGREPEN KUNNEN WORDEN. In zo’n wereld hangt het van de nieuwsgierige enkeling af of er ooit nieuwe informatie over de Bijbelse geschiedenis boven water komt. Die enkeling was in dit geval een zekere RON WYATT. Deze Amerikaan GING IN 1978 wel op zoek naar een mogelijk andere plaats. Hij deed dat op basis van het serieus nemen van de Bijbelse gegevens, die we hierboven al zagen.

Mozes hoedde de schapen van zijn schoonvader in het land Midian, dat is IN HET HUIDIGE SAOEDI ARABIË, aan de Oostkant van de golf van Akaba.

De berg Sinaï LAG IN ARABIË, ook weer aan de Oostkant van de golf van Akaba.

De Farao zou op basis van de plek waar Israël zich bevond concluderen: Zij zijn in het land verdwaald. DE WOESTIJN HEEFT HEN INGESLOTEN.

Toen het leger van Farao in de verte zichtbaar werd voor Israël, schreeuwde het volk tegen Mozes met de vraag waarom hij hen ‘UIT EGYPTE’ had laten wegtrekken.

Op basis van deze Bijbelse informatie bevond het volk zich al enkele dagen in wat we tegenwoordig de Sinaï noemen en hadden ze zich gelegerd aan de Oostelijke arm van de Rode Zee, tegenover het huidige Saoedi Arabië. De doortocht bracht hen in het huidige Saoedi Arabië en niet in het gebied dat nu de Sinaï woestijn heet.

De plaatsnamen waar het volk zich legerde ten tijde van de doortocht, geven geen aanknopingspunten maar op basis van ontdekkingen, die sinds de jaren ’80 van de vorige eeuw gedaan zijn, kregen die namen wel meer betekenis.

‘Toen sprak de HEERE tot Mozes: Spreek tot de Israëlieten en zeg dat zij terugkeren en hun kamp opslaan voor Pi-Hachiroth, tussen Migdol en de zee, voor Baäl-Zefon. Daartegenover moet u uw kamp opslaan, bij de zee.’

‘Pi-Hachiroth’ is altijd vertaald met ‘PLACE WHERE SEDGE GROWS’, letterlijk ‘plaats waar het riet groeit’ of ‘plaats waar het wier groeit’. Het is echter zeer onzeker of die betekenis correct is. Een andere vertaling, die uitgaat van de Joodse taal, is: ‘MOUTH OF THE GORGES’. Nederlands: ‘mond van de kloven’; vrijer vertaald ‘uitmonding van de kloof’. Nog een andere vertaling, uitgaande van het Egyptisch is ‘HUIS VAN DE WOESTIJNHEUVEL’. Een dergelijke kloof of woestijnheuvel is nergens te vinden aan de kust van de westelijke arm van de Rode Zee, de traditionele plaats van de doortocht, maar wel aan de kust van de Oostelijke arm van de Rode Zee, de golf van Akaba.

Een van de ‘wadi’s eindigt op een ENORM GROOT STRAND (circa 12 km2), waar het toenmalige volk Israël gemakkelijk kon bivakkeren. Vanaf dat strand is er naar de overkant een ondiepte van maximaal 800 meter (op ander plekken is de Golf van Akaba MAXIMAAL 1.850 METER diep). Mogelijk was het water toen veel ondieper in verband met EEN KLEINE IJSTIJD. De helling van de zeebodem LOOPT VOLDOENDE GELEIDELIJK AF om de drooggevallen bodem te kunnen oversteken.

De locatie van ‘BAÄL-ZEFON’ (Heer van het Noorden) is dermate onzeker dat die wordt afgeleid van de VERONDERSTELDE ROUTE, die de Israëlieten namen. De term ‘Migdol’ betekent ‘WACHTTOREN’. Deze Egyptische wachttorens kwamen in die tijd voor DOOR DE HELE SINAÏWOESTIJN, een gebied dat niet behoorde bij Egypte maar wel lag binnen de Egyptische invloedssfeer. Dat is ook weer een belangrijke reden om aan te nemen dat Israël niet aan de Westkant maar aan de Oostkant van de Sinaï werd tegengehouden door het water.

Als het ging om de Westelijke arm van de Rode Zee, dan zou het volk Israël zich geen meter hebben verplaatst want dat was het gedeelte van het Egyptische rijk, waar ze al honderden jaren WOONDEN. Men gaat er over het algemeen van uit dat het volk al EEN WEEK ONDERWEG was, aangezien de Egyptenaren een tijd lang druk waren met het rouwceremonieel voor de eerstgeborenen. Bovendien KWAMEN ZE PAS na verloop van EEN MAAND NA HUN VERTREK UIT EGYPTE in de woestijn Sin.

Maar ook de weergave van de uittocht zelf maakt een doortocht door de Westelijke arm van de Rode zee onwaarschijnlijk. Immers, Mozes verzocht Farao het volk te laten gaan zodat ze 3 DAGEN DE WOESTIJN IN zouden trekken om de HERE een offer te brengen. En verder staat er dat de HERE het volk een zwenking liet maken, die Farao tot de conclusie zou brengen dat het volk VERDWAALD ZOU ZIJN IN DE WOESTIJN. Die twee zaken zijn alleen mogelijk als de Israëlieten al een behoorlijk eind de Sinaï woestijn waren ingetrokken, ver voorbij de Westelijk gelegen arm van de Rode Zee (de golf van Suez). Ze konden daarna alleen nog door de Oostelijke arm van de Rode Zee, de golf van Akaba, worden tegengehouden. Daar moet dus de plaats van de doortocht gelegen hebben.

Sinds op de juiste plaats is gezocht naar overblijfselen van de doortocht, is een enorme hoeveelheid bewijsmateriaal gevonden. Het gaat om de volgende bewijzen:

EEN ENORM STRAND, dat op een oude kaart staat aangeduid als “Nuwayba’ al Muzayyinah”. Dit betekent: “wateren van Mozes, die zich splijten”. Zie DIT DOCUMENT met op pagina 6 deze oude kaart waarop de volledigeoude naam van Nuweiba staat vermeld.

WAGENWIELEN op de bodem van de Golf van Akaba die exact overeenkomen met die van Egyptische wagens, soms met as en al. Hoewel ze volledig zijn overgroeid door koraal, zijn de vormen nog duidelijk herkenbaar als wagenwielen.

TWEE ENORME ZUILEN aan weerszijden van de mogelijke plaats van doortocht, met een Hebreeuws opschrift. Die aan de kant van Saoedi Arabië is weggehaald en in een Egyptisch Museum opgeborgen en sindsdien aan het oog onttrokken. Die aan de kant van de Sinaï staat er nog maar de tekst is weggeschuurd.

EEN GESPLETEN ROTS met door watererosie afgesleten stenen. Dit lijkt zeer sterk op de rots van Rephidim, waar het water uit gulpte, zodat het volk kon drinken.

EEN VERHOGING MET VEEL ROTSTEKENINGEN van een kalf of stier, wat de plaats geweest kan zijn van het gouden kalf.

EEN HISTORISCHE BEGRAAFPLAATS voor duizenden mensen, de individuele graven gemarkeerd door zorgvuldig neergelegde rijen stenen.

EEN ZWARTGEBLAKERDE BERGTOP, de enige op de wereld. De HERE daalde in vuur neer op de Sinaï.

EEN ALTAAR VOOR HET OFFEREN van vee met daarbij een grote kraal van stenen voor het vee.

DE BEDDING VAN EEN WATERSTROOM die ooit van de berg stroomde.

HEBREEUWSE INSCRIPTIES op stenen, zelfs de afbeelding van een Menorah, de zevenarmige kandelaar.

Deze zee aan bewijsmateriaal is een krachtige ondersteuning van betrouwbaarheid van de Bijbel en van Gods enorme kracht ten opzichte van hen die geloven.

verleden

Uit Hem zijn alle dingen

Messias

De Schrift