Hij komt met de wolken

en alle ogen zullen Hem zien

de schrift

'De Schrift kan niet van kracht beroofd worden...'

Er bestaan meer dan vijftig profetieën over de eerste komst van Jezus Christus. Sommige daarvan zijn zeer specifiek en ze dateren allemaal van vele eeuwen voor Christus. Tweeduizend jaar geleden zijn deze profetieën allemaal uitgekomen. Dat biedt de garantie dat ook voorspellngen over Jezus’ tweede komst, daadwerkelijk zullen plaatsvinden. Maar hoe betrouwbaar zijn de documenten waarin de profetieën gegeven waren? En hoe zeker kunnen we zijn van de verslagen over Jezus’ eerste komst?


Er is een nauwe samenhang tussen de geschriften van het Nieuwe Testament en die van het Oude Testament. Allereerst wijst het Oude Testament, dat rond 400 voor Christus compleet was, op talloze plaatsen en manieren vooruit naar de komst van Jezus. In de tweede plaats nemen Jezus en de schrijvers van het Nieuwe Testament de geschriften van het Oude Testament zeer serieus door ze als absoluut gezaghebbend te citeren. Het Nieuwe Testament telt honderden verwijzingen naar en citaten uit het Oude Testament. Verder komt de betrouwbaarheid van het Oude Testament steeds meer vast te staan, naarmate meer gegevens uit de oudheid boven water of boven de grond komen.

Zo is onlangs de Kanaïtische stad ‘Lachis’ ontdekt en blijken de Bijbelse weergaven van reeksen en dateringen van Israëls koningen te kloppen met archeologische gegevens uit het Midden Oosten. Vondsten op de bodem van de golf van Akaba en in de woestijn van Saoedi Arabië laten zien dat het verslag van de Exodus van het Joodse volk op waarheid berust.

Twijfels die in de 18e en 19e eeuw werden gerezen, over het gebruik van kamelen in de tijd van Abraham, over de historische werkelijkheid van figuren als koning David en andere koningen van Israël, twijfels over Pontius Pilatus als stadhouder van Rome, over het vroegere bestaan van plaatsen als Nazareth, de vijver van Siloam, over de zeer oude oorsprong van het volk Israël, al die twijfels zijn door de vele opgravingen volledig weggenomen en de waarheid van de Bijbels is voortdurend bevestigd.

De betrouwbaarheid van Bijbelse gegevens is vast komen te staan door talloze vondsten bij opgravingen, zoals het zegel van Jesaja, de ruïnes van Bethsaïda, munten uit de tijd van David, een fort uit de tijd van David, overblijfselen van paleizen uit de koningentijd, enzovoorts. Ook verschillende inscripties in stenen en tabletten bevestigen de Bijbelse verslagen.

Intussen is op 30.000 verschillende plaatsen gegraven naar oudheden uit Bijbelse tijden en de bevestigingen van de landen, volken, koningen en culturen waarover de bijbel spreekt blijven stromen. De artefacten die gevonden worden zijn onwrikbare getuigenissen van Bijbelse figuren en omstandigheden. De Bijbel blijkt haar fundamenten zeer stevig in de geschiedenis te hebben staan.

Verder blijkt de betrouwbaarheid van oudtestamentische bronnen uit de nauwkeurigheid waarmee schrijvers en overschrijvers bij de vastlegging te werk zijn gegaan. Bij de ontdekking van de dode-zee rollen van Qumran kwam een volledig manuscript van het boek Jesaja aan het licht van 75 voor Chr. Na een vergelijking met een document van circa 1.000 na Chr. bleken beide documenten voor 95% overeen te komen en de overige 5% te bestaan uit minimale afwijkingen. De reden waarom er niet veel meer oudere documenten zijn, heeft te maken met de houdbaarheid van papyrus of leer en met de gewelddadige geschiedenis van Israël, waardoor veel verloren ging. Verder was er een rijke traditie van kopiëren en verbranden van boekrollen die tekenen van verval begonnen te vertonen.

Ook uit de tijd van het Nieuwe Testament, het begin van onze jaartelling, zijn vele ontdekkingen gedaan die de Bijbelse weergave van de situatie in de eerste eeuw van onze jaartelling empirisch ondersteunen. Waar men in de 18e en 19e eeuw veronderstelde dat de Bijbel in tegenspraak zou zijn met feitelijke historische situatie van cultuur, techniek, politiek en topografie, is door ontdekkingen van de 20e en 21e eeuw precies het omgekeerde komen vast te staan. De Bijbel is historisch voor 100% betrouwbaar gebleken.

We merkten al op dat het Oude en het Nieuwe Testament nauw met elkaar verweven zijn. Petrus verwijst naar het Oude Testament, als blijvende bron van waarheid:

2 Petrus 1:19,20,21 ‘En wij hebben het profetische woord, dat vast en zeker is, en u doet er goed aan daarop acht te slaan als op een lamp die schijnt in een duistere plaats, totdat de dag aanbreekt en de morgenster opgaat in uw hart. Dit moet u allereerst weten, dat geen enkele profetie van de Schrift een eigenmachtige uitleg toelaat; want de profetie is destijds niet voortgebracht door de wil van een mens, maar heilige mensen van God, door de Heilige Geest gedreven, hebben gesproken.’

Ook tussen de schriften van het Nieuwe Testament is een sterk onderling verband. Zo wijst Jezus volgens het evangelie naar Johannes in zijn laatste gesprekken met de discipelen naar de schriften, die zij zelf onder de leiding van de Heilige Geest zouden produceren:

Johannes 14:26 ‘Maar de Trooster, de Heilige Geest, Die de Vader zenden zal in Mijn Naam, Die zal u in alles onderwijzen en u in herinnering brengen alles wat Ik u gezegd heb.’ – Dit verwijst naar de Evangeliën die geschreven zouden worden.

Johannes 15:26, 27 ‘Maar wanneer de Trooster is gekomen, Die Ik u zenden zal van de Vader, de Geest van de waarheid, Die van de Vader uitgaat, zal Die over Mij getuigen. En u zult ook getuigen, want u bent van het begin af bij Mij.’ – Hiervan zou het boek Handelingen verslag doen.

Johannes 16:13 'Maar wanneer Die komt, de Geest van de waarheid, zal Hij u de weg wijzen in heel de waarheid, want Hij zal niet vanuit Zichzelf spreken....' – Dit verwijst naar de brieven met daarin de waarheid over Gods verlossingsplan en de menselijke verantwoordelijkheid.

Johannes 16:13 ‘...maar wat Hij gehoord zal hebben, zal Hij spreken, en de toekomstige dingen zal Hij u verkondigen.’- Dit verwijst naar het boek Openbaring.

Verder is er nauwe samenhang tussen het boek Handelingen en de brieven. Veel concrete personen en situaties waarnaar vooral Paulus verwijst in zijn brieven, komen we ook tegen in het boek Handelingen. Petrus verwijst ook naar Paulus' brieven als ‘schrift’, dus van God ingegeven.

2 Petrus 3:15,16 ‘… en beschouw het geduld van onze Heere als zaligheid; zoals ook onze geliefde broeder Paulus, naar de wijsheid die hem gegeven is, u geschreven heeft, zoals ook in alle brieven, wanneer hij deze dingen ter sprake brengt. Daaronder zijn sommige zaken die moeilijk te begrijpen zijn, die de onkundige en onstandvastige mensen verdraaien, tot hun eigen verderf, net als de andere Schriften.’

Maar ook al getuigt het bijbelverslag van een betrouwbare weergave van de culturele, politieke en aardrijkskundige setting in de tijd van de bijbelschrijvers, daarmee is de waarheid van het verslag zelf nog niet bevestigd. Dat gaat namelijk om woorden en daden van mensen, vooral van de Persoon van Jezus. Hoe weten we of de gebeurtenissen getrouw zijn weergegeven?

Allereerst hanteerden de Bijbelschrijvers zeer strenge normen. Zij confronteerden de volgelingen van Jezus voortdurend met het belang van de waarheid. Jezus Zelf was hen daarin voorgegaan. Zijn opmerkingen over waarheid zijn algemeen bekend. Eindeloos vaak hoort men tegenwoordig de zinsnede: ‘de waarheid zal u vrijmaken’. Deze woorden, die te pas en te onpas worden gebruikt, zijn afkomstig van Jezus en Hij liet daar nog iets aan vooraf gaan:

Jezus dan zei tegen de Joden die in Hem geloofden: Als u in Mijn woord blijft, bent u werkelijk Mijn discipelen, en u zult de waarheid kennen, en de waarheid zal u vrijmaken.’

Jezus was Zelf de grote Getuige van de waarheid. Van Hem is de volgende uitspraak, die Hij deed in antwoord op een vraag van Thomas, één van de discipelen:

Jezus zei tegen hem: Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven. Niemand komt tot de Vader dan door Mij.’

Vlak voor het doodvonnis was er een kort gesprek tussen Pilatus en Jezus, waarin Jezus benadrukte dat alles voor Hem draait om waarheid: ‘Pilatus dan zei tegen Hem: U bent dus toch een koning? Jezus antwoordde: U zegt dat Ik een Koning ben. Hiervoor ben Ik geboren en hiervoor ben Ik in de wereld gekomen: om voor de waarheid te getuigen. Iedereen die uit de waarheid is, geeft aan Mijn stem gehoor.’ Daarop stelde Pilatus zijn bekende relativistische retorische vraag: ‘Wat is waarheid?’

In de eerste christengemeente besloot een echtpaar om met een leugentje om bestwil net te doen alsof ze de volledige verkoopprijs van hun land afdroegen, terwijl ze in feite een deel van het geld achterhielden. Ze moesten dit met de dood bekopen, toen Petrus hen daarmee confronteerde. Bij het stellen van dergelijke absolute normen als het gaat om waarheid, konden de discipelen zelf niet anders dan zo nauwgezet en betrouwbaar mogelijk verslag doen van hun belevenissen met Jezus. In hun brieven hameren de apostelen op het wandelen in de waarheid. Paulus schrijft:

'Ik spreek de waarheid in Christus, ik lieg niet en mijn geweten getuigt mee door de Heilige Geest…', en: 'Zo zeker als DE WAARHEID van Christus in mij is, zal deze roem over mij in de streken van Achaje niet tot zwijgen worden gebracht'. En nog eens: 'Daartoe ben ik aangesteld als prediker en apostel (ik zeg de waarheid in Christus, ik lieg niet), als een leraar van de heidenen in geloof en waarheid.'

Van de liefde zegt Paulus: ‘…zij verblijdt zich niet over de ongerechtigheid,maar verheugt zich over de waarheid…’

Daarom vermaant hij de gemeenten waar hij komt met: ‘Leg daarom de leugen af en spreek de waarheid, ieder tegen zijn naaste; wij zijn immers leden van elkaar.’

De waarheid zou echter een schaars goed worden. Van de laatste dagen sprak Paulus: ‘Ze zullen hun gehoor van de waarheid afkeren en zich keren tot verzinsels.’

De apostel Petrus drukt de christenen van zijn tijd op het hart dat de heerlijkheid van Christus absoluut geen verzinsel is: ‘Want wij zijn geen kunstig bedachte verzinsels gevolgd, toen wij u de kracht en de komst van onze Heere Jezus Christus bekendmaakten, maar wij zijn ooggetuigen geweest van Zijn majesteit.’

De apostel Johannes schrijft aan zijn lezerspubliek: ‘Ik heb u niet geschreven omdat u de waarheid niet kent, maar omdat u die kent, en omdat er geen leugen uit de waarheid is.’

Voor de apostelen en de christenen uit de eerste eeuw na Christus was het principe ‘waarheid’ van levensbelang. Het was essentieel om zover mogelijk verwijderd te blijven van leugens en bedrog. Deze integere levensinstelling verhoudt zich op geen enkele wijze tot de gedachte dat de kern van het christendom, namelijk de opstanding van Christus, een leugen zou zijn. De volledige waarheid van het christendom hangt af van de geschiedkundige juistheid van de opstanding.

De opstanding van Christus en al het andere dat met zijn Persoon samenhangt, wijkt in sterke mate af van de wetmatigheden die mensen hun hele leven om hen heen waarnemen. Maar als de opstanding niet zou hebben plaatsgevonden, dan geldt dat ook voor het gedrag van de christenen uit de eerste eeuw, mensen met de meest hoogstaande moraal, die deze op de meest pertinente leugen zouden hebben gebaseerd. De opstanding van Christus is echter geen enkel probleem als een almachtige God bestaat, Die alles eenmaal geschapen heeft, met alle wetmatigheden die aan dit ‘alles’ eigen zijn en Die vrij is om op het moment dat het Hem schikt van deze wetmatigheden af te wijken. Dat misleidend bedrog de kern zou zijn van het moreel hoogstaande christendom blijft, ook bij het bestaan van God, een onmogelijkheid. Sterker nog, een God, zoals verkondigd door het christendom, zou deze pertinente leugen nooit lang hebben kunnen laten voortbestaan. Deze conclusie werd ook getrokken bij monde van Gamaliël, die in de eerste eeuw als vooraanstaande Farizeeër, aan de kant stond van de grootste vijanden van de vroege volgelingen van Christus: 'En nu zeg ik u: Houd u ver van deze mensen en laat hen gaan, want als dit voornemen of dit werk van mensen afkomstig is, dan zal het afgebroken worden, maar als het van God afkomstig is, kunt u dat niet afbreken, opdat u niet misschien ook tegen God blijkt te strijden.'

Als Jezus Degene was, waarvoor Hij zich voordeed, de Zoon van God, de Rechtvaardige, die gekomen was om een verloren mensheid terug te brengen in de armen van zijn Vader, dan was het zelfs ONmogelijk dat Hij NIET zou zijn opgestaan uit de dood. Dit is de manier waarop Petrus op de dag van het ontstaan van de christelijke kerk spreekt over zijn opstanding uit het graf: ‘God heeft Hem echter doen opstaan door de weeën van de dood te ontbinden, omdat het niet mogelijk was dat Hij daardoor vastgehouden zou worden.’

De onmogelijkheid voor God om de Rechtvaardige Jezus in het graf te laten wegteren en voor de vroege christenen om te liegen over de diepste kern van hun geloof, zijn enorme ankers voor de waarheid van het christelijke geloof.

Daar komt nog bij dat de apostelen geen enkel voordeel hadden van hun getuigenis over Jezus. Integendeel. Jezus had ze gewaarschuwd, dat als ze Hem zouden volgen, het kruis zou wachten en niet de kroon. Ze zouden door hun eigen volksgenoten, ja door hun eigen familieleden vervolgd en gehaat worden. Ze mochten hun eigen leven niet liefhebben maar moesten bereid zijn voor de boodschap die ze brachten te sterven. Dat is hen inderdaad allen overkomen.

Het ‘follow the money’ gaat bepaald niet op voor de eerste christenen, die de boodschap over Jezus als eersten de wereld in brachten. Maatschappelijk zijn zij er alleen maar slechter van geworden. Paulus was aanvankelijk een christenvervolger, totdat Hij een persoonlijke ontmoeting had met Jezus op de weg naar Damascus, waar hij volmacht had om christenen gevangen te nemen. Vanaf het moment van die ontmoeting nam zijn leven een wending van 180 graden. Aan de door hem gestichte gemeente in Filippi, schreef hij: ‘Hoewel ik reden heb om ook op het vlees te vertrouwen; als iemand anders denkt te kunnen vertrouwen op het vlees, ik nog meer: besneden op de achtste dag, uit het geslacht van Israël, van de stam Benjamin, een Hebreeër uit de Hebreeën, wat de wet betreft een Farizeeër, wat ijver betreft een vervolger van de gemeente, wat de rechtvaardigheid betreft die in de wet is, onberispelijk. Maar wat voor mij winst was, dat heb ik om Christus' wil als schade beschouwd.’ Aan zijn leerling Timotheus schreef Paulus: ‘En ook allen die godvruchtig willen leven in Christus Jezus, zullen vervolgd worden.’

De discipelen, die kozen voor Jezus, gaven alles op wat ze hadden. Verreweg de meesten van hen zijn voor hun geloof in Jezus de marteldood gestorven.

De jonge kerk van Jezus Christus werd, net als de apostelen, zwaar vervolgd. Bekend zijn de vervolging onder Nero, Domitianus en onder Diocletianus maar ook onder diverse andere keizers waren christenen hun leven niet zeker.

De intentie om het christendom met wortel en tak uit te roeien door middel van verdrukking en vervolging bewerkte het omgekeerde. De volharding van christenen in hun geloof werd het bewijs van de echtheid van Degene in Wie zij geloofden.

De tijd van christenvervolging door Rome ligt echter al vele eeuwen in het verleden. Hoe kunnen we ervan op aan dat het verslag van Jezus’ woorden en werken na zoveel tijd getrouw in de 21e-eeuwse Bijbel terecht is gekomen? Bekend is de wetmatigheid dat bij het doorgeven van een verhaal, verdraaiingen en vervormingen plaatsvinden. Er zijn twee belangrijke redenen waarom we toch kunnen aannemen dat de moderne Bijbels bijzonder waarheidsgetrouw zijn. We geven deze redenen weer op basis van de website 'Stand to Reason'. De eerste reden betreft de tijd die verliep tussen de gebeurtenissen en de data waarop de thans overgebleven manuscripten werden geschreven. Van belangrijke gebeurtenissen uit de oudheid vinden we pas eeuwen later de verslagen in manuscripten. De Joodse oorlogen van de jaren 66 – 70 AD, waarvan historicus Flavius Josephus verslag doet, worden teruggevonden in negen volledige manuscripten die dateren uit de vijfde eeuw na Christus – vier eeuwen na dato. Tacitus’ verslagen van het Romeinse keizerrijk is een van de belangrijkste bronnen van het Rome van het begin van de jaartelling maar overleefden slechts ten dele in twee manuscripten die dateren uit de Middeleeuwen, minstens tien eeuwen later. Van Thucydides’ geschiedenis overleefden acht kopieën. Er bestaan tien kopieën van Caesars Gallische Oorlogen, acht kopieën van Herodotus’ geschiedenis en zeven kopieën van Plato. Al deze manuscripten vertonen een gat van minstens 1000 jaar met het origineel. Homer’s Iliad heeft het meest robuuste bewijs van echtheid met maar liefst 647 bestaande kopieën. Voor de meeste antieke documenten bestaat slechts een handvol manuscripten, die vaak 800 tot 2000 jaar jonger zijn dan de originelen. Toch zijn historici er zeker van dat de geschiedenis door deze documenten getrouw wordt weergegeven. In feite is vrijwel al onze kennis over het verleden op dit soort documenten gebaseerd.

In vergelijking met seculiere teksten is er een overweldigende hoeveelheid bewijs voor het Nieuwe Testament in de vorm van manuscripten. De meest recente telling geeft 5.366 afzonderlijke Griekse manuscripten. Daartussen zitten 34 complete Nieuwe Testamenten die dateren van de 9e tot de 15e eeuw. De zogenaamde ‘unciale manuscripten’, gebonden volumes van meerdere boeken van het Nieuwe Testament, gaan terug tot de vierde eeuw na Christus. De Codes Sinaïticus stamt uit het jaar 340 na Christus. De bijna volledige Codex Vaticanus is gedateerd op 325 - 350 voor Christus. De Codex Alexandinus bevat het volledige Oude en vrijwel het volledige Nieuwe Testament en dateert uit het eind van de vierde tot het begin van de vijfde eeuw. Het meest fascinerende bewijs komt van fragmenten. De Chester Beatty Papyri bevat het overgrote deel van het Nieuwe Testament en stamt uit het midden van de derde eeuw. De Bodmer Papyri, gevonden in 1956, bevat de eerste veertien hoofdstukken van Johannes en veel van de laatste zeven hoofdstukken en dateert uit 200 na Christus. De meest verbazingwekkende vondst van alle is een klein deel van Johannes 18:31-33, ontdekt in Egypte en bekend als de John Rylands Papyri. Het meet slechts circa 10 vierkante centimeter en vertegenwoordigt de vroegst bekende kopie van enig deel van het Nieuwe Testament en dateert van circa 117 tot 138 na Chr. Het Evangelie naar Johannes circuleerde al binnen 30 jaar nadat het op schrift was gesteld.

Dit alles toont de overweldigende rijkdom van het schriftelijk bewijs van de getuigenissen in het Nieuwe Testament. Vergeleken daarmee steken alle andere bronnen magertjes af. Zou je de geschiedenis voorstellen als een landschap en het hedendaags getuigenis van de geschiedkundige feiten als steden, dan is het Nieuwe Testament een enorme metropool, een onneembaar bolwerk met enorme wolkenkrabbers en dan vinden we daarbuiten hier en daar alleen nog wat bescheiden stadjes en schamele dorpjes. Wie zich een beeld wil vormen van de geschiedenis, kan eenvoudigweg niet om het Nieuwe Testament heen een daarmee ook niet om het Oude testament.

De meer dan 50 zeer gedetailleerde voorspellingen rond het leven en de bediening van Jezus, die allemaal uitkwamen, kan men niet achteloos wegwuiven met een opmerking dat de schriften, die hiervan getuigen niet betrouwbaar zouden zijn. De uitgekomen profetieën over Jezus’ eerste komst, 2000 jaar geleden, zijn op basis van onwrikbaar krachtige geschriften een onweerlegbaar bewijs voor het uitkomen van alles wat geschreven staat over de tweede komst van Jezus. Wij zijn de generatie, die dit naar alle waarschijnlijkheid zullen gaan meemaken…

verleden

Uit Hem zijn alle dingen